FEESTREDE
uitgesproken bij de opening van mijn jubileum-expositie in 2009

waarstaik Honderdprocentvijftig

Vijftig worden is een gemengde vreugde. Het is de helft van honderd en waarschijnlijk ook minstens de helft van je leven. Het idee is toch wel dat het daarna verder bergaf gaat. Is het eigenlijk erg om bergaf te gaan? Als fervent bergwandelaar heb ik daar zo mijn ideeën over...

Afdalen kan heel aangenaam kan zijn: niet per sé zoals Mozes met de tafelen der wet - maar toch als iemand die een ervaring meeneemt. Je hebt de top gehaald (misschien), of in ieder geval de hut, daar heb je een Milchkaffee met taart gegeten (geen oude!) en je loopt rustig naar beneden over het pad, je komt geen onbekende passages meer tegen - maar ziet alles nu van de andere kant, met een andere belichting. Heel prettig eigenlijk, in een rustig ritme afdalen, een met liedje in je hoofd…

Het leven op gevorderde leeftijd kan nog steeds kwaliteit kan hebben, dat bewijst ook de aanwezigheid vandaag van mijn moeder, die nog een stuk ouder is dan ik en daarom eigenlijk meer recht van spreken heeft. Dank je Mam, dat je vandaag, ook namens Tijn, hier aanwezig kan zijn. Dat is me heel veel waard.

Natuurlijk ben ik niet van plan om met schilderen op te houden. Als mijn ogen en handen blijven werken, zal ik schilderen, want dat vind ik het fijnste en boeiendste om te doen - al zolang ik me kan herinneren. Het is een tijdloos beroep in meerdere betekenissen van het woord, en vaak wordt er gezegd dat de 'rijpere' kunstenaar, zijn beste werk maakt. Wie weet is dat ook zo in mijn geval. Dat mag een ieder zelf beoordelen.

Het lijkt misschien alsof ik me met mijn werk afwend van de wereld: je ziet verstilling en diepte. Als ik moderne kunst zie, heb ik vaak de indruk dat een heleboel lawaai en hete lucht langs me heen waait. Lang niet altijd herken ik daarin mijn eigen voorkeuren. Maar soms wel: figuratieve schilderkunst, ooit weggezet als achterhaald door 'nieuwe media', is niet verdwenen. En de natuur blijft kunstenaars intrigeren. Ook vandaag de dag ontdekken jonge mensen dat er een unieke kwaliteit schuilt in de altijd vruchtbare oergrond van de visuele kunst: het geraakt zijn door de organische vormen van de wereld, en die willen spiegelen en herscheppen op het platte vlak. Terug naar de wortels: de oude magie om een stier op de muur van een grot te toveren.

Ik ben overtuigd van het gegeven dat - ook in de beeldende kunsten - het authentieke tenslotte boven komt. Omdat aan het begin van een kunstenaarsschap de visuele verwondering staat - en niet de geldingsdrang van een ego.

Pas op de plaats. Stilte. Het geluidloos overspoeld worden door de visuele en ruimtelijke majesteit van de natuur, van de wereld. Een vorm van spiritualiteit misschien, maar zonder dogma's, zonder goeroe, zonder heiligheid. Nou, misschien een heilige eik, een boom: die zwijgende geduldige drager van het leven. Die niet eist, zich niet opdringt.

En bij zo'n boom blijf je een moment staan, je leunt er tegen, je kijkt naar de route die je hebt afgelegd, en naar het vervolg van je weg. Dáár kom ik vandaan en dáár ga ik heen. En wanneer ik straks afdaal daar over die kronkelweg, hoop ik dat ik tegelijk ook kan stijgen - boven mijzelf uit.

Gelukkig heb een reisgezel! Sophie die al 20 jaar naast me loopt. Die me soms de weg wijst, soms ook mijn richting volgt. Waarmee ik, met de kaart in de hand, vooruit kijk, en soms ook terugkijk naar wat achter ons ligt - zoals nu.

Grappig eigenlijk: toen ik je leerde kennen was ik niet bijzonder gelukkig, en ik had geen goed contact met anderen. Ik schilderde wel mensen, misschien juist omdat ik me via de verf beter tot ze kon verhouden dan in het echte leven. En kijk nu om je heen: mijn uit mijn schilderijen zijn de mensen praktisch verdwenen, maar ze zijn wel om me heen in grote getale zelfs - in het echte leven. Nu is het niet erg dat de plekken mijn schilderijen leeg en eenzaam zijn, want ik heb geleerd (enigszins) om met familie, vrienden, collega's om me heen om te gaan, contact te maken.

Daarin Sophie, ben je altijd mijn mentor geweest. Samen hebben we leerschool van de kamertraining en het gezinshuis doorlopen, en dankzij jou heb ik mijn tweede roeping ontdekt in de geestelijke gezondheidszorg - waar ik mensen tegenkom die net zich zo verloren voelen als ik, 20 jaar geleden…. Die ontwikkeling heeft me enorm veel gegeven, meer dan ik hier kan vertellen, maar misschien mag ik zeggen dat er tegenwoordig soms sprake is van een voorzichtige balans tussen het terugtrekken in de kunst, en de verbinding met de medemens. Want ook al zijn die bewegingen tegengesteld, het gaat uiteindelijk over hetzelfde: een weg te vinden door het leven, en de mensen te vinden die je leiden, die je vergezellen, die jij op jouw beurt kan leiden.

Bergop of bergaf - lieve Sophie, ik hoop dat je nog lang met me wilt reizen.'

Rogier d'Ailly, juni 2009





HOE KOMT EEN MENS ER TOE?
Een praktische overdenking door Rogier d'Ailly

Hoe komt een mens er toe zijn leven aan kunst te wijden? Ooit behoorde ik tot de honderden min of meer geestdriftige jongeren die jaarlijks aan een HBO kunstacademie afstuderen. Ik wist toen nog niet dat de meeste van ons binnen enkele jaren gedwongen zouden zijn een ander beroep te kiezen, of naast het maken van kunst een één of andere nevenbezigheid te kiezen - soms geen enkel verband houdend met hun opleiding - om het hoofd boven water te houden. Tot die laatste groep behoor ik inmiddels ook. Naast mijn werk als kunstenaar begeleid ik jongvolwassen autisten in een woonvorm in Den Haag - ook heel interessant overigens...

Hoe dan ook: de realiteit is dat circa van 5% van de professioneel opgeleide kunstenaars met alleen het maken en verkopen van kunst in zijn levensonderhoud kan voorzien. Is er dan iets mis met die opleiding, zou je denken?

Probleem is, dat mensen die goed zijn in, of houden van, het maken van kunst, lang niet altijd goed zijn in (of houden van) het verkopen ervan. Dit heb ik zelf meer dan eens ervaren. Het lastige is, dat kunstwerken die je zelf gemaakt hebt, je vaak zo na aan het hart liggen dat het moeilijk is er aandacht voor te vragen, er kritiek op te verdragen, ze 'met vreemde ogen' te bekijken, of hun waarde te vertalen in geld. Het zijn een soort kinderen voor je, maar daar hebben anderen natuurlijk weinig boodschap aan.

Wanneer een kunstwerk een grote waarde heeft voor de maker er van, ervaart hij afwijzing of onverschilligheid al snel als een aanval op zijn persoon. De meeste toeschouwers voelen dit intuïtief aan en zullen niet snel recht voor zijn raap zeggen dat ze het werk slecht of lelijk vinden, terwijl ze dat misschien wel denken.

Om enigszins professioneel met de 'marketing' van je eigen werk om te gaan is het nodig te accepteren dat de waarde die je zelf aan het werk toekent niet per definitie voor een ander geldt, integendeel zelfs. Het is dus nodig je werk te objectiveren en te relativeren. Terwijl het maken van kunst vaak met zich meebrengt dat iemand zich heel erg in zijn eigen kleine universum terugtrekt, waar zijn voorkeur juist de allesbepalende norm is... Omgaan met de buitenwereld moet je leren, en dat kost moeite. Talent krijg je misschien cadeau, dat is leuk natuurlijk - maar dan beginnen de moeilijkheden pas.

 

Wat is er nodig om toch door te zetten en kunst te produceren terwijl je weet dat weinig mensen er iets in zien, en dat het lijkt dat eigenlijk niemand er op zit te wachten?

Ergens moet je geloven dat je iets unieks te vertellen hebt. Dat jouw verhaal waard is gehoord te worden. Dit is niet precies hetzelfde als talent. Om te beginnen is talent prettig, het verhoogt in principe je kansen. Talent is eigenlijk niets meer dan het gegeven dat je iets goed kan, meestal wil dat zeggen: beter dan de anderen. Dat je kunst kan maken betekent echter niet dat je het ook aan de man kunt brengen, dat zijn zoals gezegd toch verschillende categorieën. Netwerken, interessante theorieën, gevoel voor tijdgeest, een groot ego, een onvoorwaardelijk geloof in je werk - allemaal minstens zo belangrijk als iets ouderwets als bijvoorbeeld goed kunnen natekenen.

Dit kan er wel toe leiden dat de kunstenaar zichzelf belangrijker vind dan zijn werk, dat hij als een vanzelfsprekend verlengstuk van zijn persoon ziet: een bewijs van zijn eigenwaarde. Dat helpt zeker bij het streven naar succes, maar naast de drang naar erkenning kent een kunstenaar als het goed is ook een drijfveer die niet totaal samenvalt met zijn eigen belang of zelfs zijn eigen persoon.`

Wil je het werk inhoudelijk levend houden, en dat is het spoor dat ik probeer te volgen, dan leef je vooral van je interesse. Je staat open voor wat zich aan je openbaart op het gebied waar jouw specifieke aandacht ligt. Dit klinkt heel gewichtig en heilig, maar het is in feite heel praktisch en simpel: als beeldend kunstenaar zijn je ogen je voedingsbron, daardoor komt de wereld bij je binnen. Je ontwikkelt daarvoor een bijzondere ontvankelijkheid.

Over mijn spoor gesproken: als je in de trein zit kan je een boek lezen of met je mobieltje spelen, maar je kan ook naar buiten kijken en daar tientallen verschillende visuele fenomenen in je opnemen en bestuderen: het silhouet van een wegvliegende vogel; het effect van de voortrazende rails van het naastliggende spoor; het kleurverloop van de herfstbladeren van een groep berken; de verblindende lichtval op het water van de slootjes die de trein passeert; het vluchtpunt van de wegen die links en rechts zijn aangelegd; de zilveren randen van de wolken waarachter de zon schijnt; de vervaging van de kleuren aan de horizon waar de skyline van een stad als een blauwkartonnen sjabloon is te onderscheiden...

Moet ik doorgaan? Dat kan maar zo. Voor mij is dit constante kijken naar mijn omgeving een tweede natuur, iets dat nooit ophoudt - misschien zoals een componist altijd een melodie of een bepaald klankbeeld in zijn hoofd heeft. Dit betekent overigens niet per sé dat je dan ook figuratieve kunst maakt. Want de visuele fenomenen die je boeien kun je ook in een abstracte context vinden en herscheppen.

Ja, ik ga nog even door. Laatst zat ik in zo'n trein, met tegenover mij twee mensen die blijkbaar op weg waren naar een vergadering, en die, naar hun gesprekken te oordelen, niet erg geloofden in de gunstige uitkomst ervan.

We naderden de stad Leiden, het was zo'n wilde herfstochtend waar alle seizoenen op één dag lijken samen te komen; blauwe luchten, enorme zonbeschenen roze cumuluswolken, hagelbuien, laagstaande zon...

Boven de stad hing op dat moment een diep groene, bijna nachtelijke lucht, als een gordijn van velours, waarin het silhouet van korenmolen 'De Valk', fel beschenen door de zon, in geel en rood zijn wieken priemde.

Aan de andere zijde van de trein, was een enorme toren van bloemkoolwolken omhoog aan het stuwen, niet zichtbaar bewegend, maar met een overweldigende macht oprijzend, als een King-kong die op zijn borst trommelt. Dit beeldhouwwerk werd dramatisch beschenen door de zon, die in verschillende tinten geel en roze de weelderige vormen boetseerde.

Ondertussen (terug aan de andere kant), vormde zich boven de molen nu een prachtig gave regenboog, vrijwel van horizon tot horizon, en vanwege de lage zon verhief die zich zo hoog dat het bijna een halve cirkel was. Door de intens donkere achtergrond had de boog een ongewone lichtende kracht. Een vagere tweede boog tekende zich er als een echo boven af.

Ik zat op mijn bank te draaien van opwinding, keek van links naar rechts, wist niet waar mijn aandacht het meest vereist was om deze luchtslag te registreren, bang om ook maar een ogenblik van het drama te missen. Ik wist dat het moment vanwege de snelheid van de trein vlug voorbij zou zijn: we naderden de overkapping van het station.

Mijn medereizigers hadden dit probleem niet. Integendeel: onbewegelijk staarden zijn voor zich uit, weliswaar half naar buiten kijkend, maar zonder de fenomenen in deze typisch Hollandse lucht te zien, te beleven. Ze hoefden hun hoofd maar een paar graden te draaien en ze hadden de gegarandeerd mooiste regenboog van hun leven kunnen bewonderen! Er werden nog twee zinnen gewisseld (het ging nog steeds over de vergadering) maar hun blikken bleven leeg, niets van het drama buiten weerkaatste in hun ogen...

Even stond ik in dubio: zou ik ze er op wijzen? 'Kijk wat een mooie regenboog!'. Zoals een kind zou hebben gedaan. Ze zouden kijken en zeggen 'Oh, ja...' Ik deed het niet. Een zekere schaamte, sociale conventies, het is meestal genoeg om het bij jezelf te houden, en dat deed ik.

Maar later dacht ik: maar dat is toch precies wat je met je werk wilt doen: de mensen wijzen op de schoonheid die hen omringt, die ze gratis en elke dag kunnen genieten als ze maar om zich heen willen kijken? Waarom wees je dan niet? Je wilt toch zo graag dat ze zich open stellen en hun sensaties te intensiveren, te verdiepen? En zo is het ook uiteindelijk - als je de egoïstische motieven even achterwege laat: is dat het doel van je kunst.

Misschien vind ik het makkelijker om dat met een schilderij te doen, dan zo direct in te trein, dat ten eerste. Soms is de omweg het belangrijkste karakteristiek van cultuur. Durf je niets te zeggen, dan schrijf je een gedicht....

En je zou, in je arrogantie, kunnen zeggen: laat mij met mijn werk de mensen maar wijzen waar het te halen valt - zelf zien ze het niet. Daar hebben ze een 'kunstenaar' voor nodig... Als ik ze de gratis regenboog laat zien, kopen ze mijn geschilderde regenboog vast niet meer!

Misschien niet, maar misschien ook juist wel! Want de waardering van beeldende kunst èn de waardering van de visuele werkelijkheid, het genieten van die twee - dat zijn elkaar wederzijds versterkende bewegingen. Als het goed is zijn het broer en zus die samen opgroeien.

Het mooie is namelijk dat mensen beter naar de werkelijkheid gaan kijken, intenser de werkelijk gaan ervaren, wanneer ze zich als kijker intensiever met schilderijen bezighouden.

En andersom: ze zullen meer waardering hebben voor hoe de schilder in zijn werk omgaat met visuele fenomenen als ze die zelf ook actief beleven. En ook ik heb, door de schilderijen te bestuderen van de schilders die ik bewonderde, de weg gevonden naar half genietende, half analyserende manier waarop ik, elk uur van de dag weer mijn omgeving visueel ontdek en beleef. Kunst leert kijken. En kijken leert kunst waarderen.

Dat is, voor mij tenminste, de bron van beeldende kunst, waar je altijd weer terugkeert, hoe vaak de schilderkunst ook (net als de roman in de literatuur) wordt doodverklaard. Figuratieve schilderkunst, dat wil zeggen in gewone spreektaal: dat-je-kan-zien-wat-het-is, zal altijd een referentiepunt en een bereikbare pleisterplaats blijven, vooral ook omdat de kunstenaars die er terugkeren merken en laten zien dat ze steeds opnieuw en op een andere manier die zichtbare werkelijkheid kunnen weergeven en vertalen in een eigentijds of zelfs tijdloos idioom.

Genoeg! Even heb ik me laten meeslepen in wat ik voor het meest belangrijke en meest interessante houdt binnen het vak dat ik heb gekozen. Maar ik heb beweerd dat ik kan relativeren. Dus dat doe ik maar even: het raakt maar aan een deel van de wereld. In die zin is het belang beperkt, er zijn zo veel andere dingen waarvoor mensen in beweging komen, wat ze raakt en boeit. Een schilderij is een stukje hout of doek met wat verf er op. Het komt niet in de krant. Nooit is het op zichzelf van levensbelang, er worden geen oorlogen om gevoerd, en men sterft niet van kijkhonger als men geen kunst ziet. Gelukkig maar.

Toch: wil men tot essenties doordringen, zich ontwikkelen en verdiepen dan moet men zich toch meestal beperken. Binnen elk vakgebied, hoe schijnbaar irrelevant of vergezocht ook, kan men een afspiegeling zien van wat de wereld aan de mens biedt en wat de mens er tegenover zet. Hoe hij zich verhoudt tot zijn omgeving, tot zijn cultuur en tenslotte: tot zichzelf.

Rogier d'Ailly, december 2005

   

VLAK LAND
Dit zijn geen vrijblijvende landschapjes waarvan er dertien in een dozijn gaan. De landschappen van d'Ailly hebben iets zwaars. Ze zijn broeierig alsof onheil in aantocht is. Dat heeft onder meer te maken met lichtval: vrijwel altijd is de voorstelling in tegenlicht geschilderd. Zelf zegt hij dat zijn landschappen doen denken aan 19de eeuwse Russische landschapschilders. Dat verklaart in ieder geval het melancholische van zijn landschappen.

Maar ze hebben ook iets plats. De wolken zijn bijna even gedetailleerd vormgegeven als de boomstronk op de voorgrond. En daardoor worden de landschappen een beetje kijkdoos-achtig, ofwel een wondere kunstmatige en afgesloten in zichzelf gekeerde wereld, waarin elk detail vrijwel even nabij is. Dat effect wordt door nog iets anders verder versterkt. De boomstammen, de weggetjes de weilanden: ze zijn allemaal opgebouwd uit kleurstreepjes die als een soort touwlava slingerend hun weg over het paneel zoeken. De meanderende streepjes maken de kleuren levendig, intens en vibrerend. Zwart en grijs bestaan niet in de wereld van d'Ailly. "Ik hou van grijs dat uit kleur is opgebouwd".

Mysterieuze vlakke landschappen zijn het, die de kijker opzuigen in de voorstelling.
U zou het zelf eens moeten ervaren.

Rob van Es, mei 2005

 

 

  WAAR STA IK
Ik schilder landschappen omdat de ruimtelijke beleving van mijn omgeving de meest intense visuele ervaring voor mij vormt, die ik op één of ander manier wil vertalen naar een eigen wereld waarin die sensatie opnieuw - en ook voor een ander - voelbaar wordt. Mijn schilderijen baseer ik op directe waarneming; fotografie; fantasie of herinnering - en meestal op een combinatie van die vier.

Het centrale thema bij mijn landschappen is diepte: de spanning tussen wat dichtbij is en wat ver verwijderd is. Licht, compositie, tekening, kleur en toon moeten die ruimtelijkheid vormgeven en intensiveren. Vanaf mijn eerste koortsdromen is de ervaring van ruimte, en de positie die je daar als individu in inneemt, me altijd een oer-raadsel gebleven. Het heeft denk ik te maken met de een gevoel van isolement in een wereld waarmee je toch onlosmakelijk verbonden bent en die een sublieme maar ongrijpbare schoonheid biedt.

Ik heb een arbeidsintensieve werkwijze: vaak doe ik maanden over een schilderij. Op zich geen verdienste - maar snelle resultaten overtuigen me niet. Het is een proces dat zijn tijd nodig heeft. Tonen en kleuren bereik ik door meerdere lagen van complementaire of supplementaire kleuren over of naast elkaar te zetten, zodat een levend 'vibrerend' grijs ontstaat. Het is geen fysieke, maar een optische vermenging van kleuren. Het eindresultaat staat niet van te voren vast: ik ga uit van een plan, maar op een gegeven moment stuur ik niet meer, ik laat het uitgangspunt los en volg waar het werk naar toe gaat. Beheersing van het materiaal staat niet voorop: ik wil openstaan voor wat zich al zoekend aandient. Soms, als ik vastloop, grijp ik in met enig geweld (snijden, schrapen, spetters of druipers laten ontstaan). Daarna ga ik weer op weg naar verfijning. Ik werk meestal aan 5 of 6 schilderijen tegelijk, en soms moet ik er één halverwege opgeven. De schilderijen die ik wel voltooi hebben meestal een heel doorleefde 'huid' waarop de geschiedenis van het werk is af te lezen. Soms meng ik metaalpoeder door de verf.

Mijn werk is melancholisch van aard. Schoonheid is niet alleen zoet en zonnig, er is ook schaduw, verlatenheid. Dat maakt deel uit van het leven én van mijn werk. Er spreekt een gevoel van inkeer uit, denk ik, van beschouwelijkheid. 'Er gebeurt niets op je schilderijen.' (M. Coolen). Dat vatte ik op als compliment. Maar ook dit: 'Er hangt een soort gelukzalig licht over.' (J.W. Croonen).

In het verleden heb ik de menselijke figuur geschilderd; portretten, erotische werken, industriële-, haven- en berglandschappen. Mijn werk wordt ondertussen steeds minder 'modern'. De laatste jaren oriënteer me de voornamelijk op de 19-de eeuwse landschapsschilderkunst: met name het (post)impressionisme, de vroege Mondriaan, Friedrich en de school van Barbizon. Voor mij zijn dat een soort fellow travellers uit een andere eeuw.

Een openbaring voor mij was de tentoonstelling van Russische landschapsschilders in Groningen in 2003. Men zegt dat dit in mijn recente werk te zien is, en dat vind ik helemaal niet erg. Albert Camus zei: 'Kunst is niet groots omdat ze revolutionair is, ze is revolutionair omdat ze groots is.' Misschien dat ikzelf hoogstens een kleine meester mag hopen te zijn, die streeft naar een 'onhandige perfectie' binnen zijn beperkingen. Maar au fond gaan mijn schilderijen niet over mij als persoon, of mijn talent of kunde - maar over wat mij raakt en sprakeloos maakt. Ik zal mijn schilderijen ook nooit signeren. Wel heb ik gemerkt dat ik van tijd tot tijd beelden schep die een ander ook aanspreken, raken en bijblijven. Dat is een moment van erkenning en herkenning: dan ben ik terug bij de bron waar ik zelf ook uit put.

Rogier d'Ailly, november 2004