Wat is er nodig om toch door te zetten en kunst te produceren terwijl je weet dat weinig mensen er iets in zien, en dat het lijkt dat eigenlijk niemand er op zit te wachten?
Ergens moet je geloven dat je iets unieks te vertellen hebt. Dat jouw verhaal waard is gehoord te worden. Dit is niet precies hetzelfde als talent. Om te beginnen is talent prettig, het verhoogt in principe je kansen. Talent is eigenlijk niets meer dan het gegeven dat je iets goed kan, meestal wil dat zeggen: beter dan de anderen. Dat je kunst kan maken betekent echter niet dat je het ook aan de man kunt brengen, dat zijn zoals gezegd toch verschillende categorieën. Netwerken, interessante theorieën, gevoel voor tijdgeest, een groot ego, een onvoorwaardelijk geloof in je werk - allemaal minstens zo belangrijk als iets ouderwets als bijvoorbeeld goed kunnen natekenen.
Dit kan er wel toe leiden dat de kunstenaar zichzelf belangrijker vind dan zijn werk, dat hij als een vanzelfsprekend verlengstuk van zijn persoon ziet: een bewijs van zijn eigenwaarde. Dat helpt zeker bij het streven naar succes, maar naast de drang naar erkenning kent een kunstenaar als het goed is ook een drijfveer die niet totaal samenvalt met zijn eigen belang of zelfs zijn eigen persoon.`
Wil je het werk inhoudelijk levend houden, en dat is het spoor dat ik probeer te volgen, dan leef je vooral van je interesse. Je staat open voor wat zich aan je openbaart op het gebied waar jouw specifieke aandacht ligt. Dit klinkt heel gewichtig en heilig, maar het is in feite heel praktisch en simpel: als beeldend kunstenaar zijn je ogen je voedingsbron, daardoor komt de wereld bij je binnen. Je ontwikkelt daarvoor een bijzondere ontvankelijkheid.
Over mijn spoor gesproken: als je in de trein zit kan je een boek lezen of met je mobieltje spelen, maar je kan ook naar buiten kijken en daar tientallen verschillende visuele fenomenen in je opnemen en bestuderen: het silhouet van een wegvliegende vogel; het effect van de voortrazende rails van het naastliggende spoor; het kleurverloop van de herfstbladeren van een groep berken; de verblindende lichtval op het water van de slootjes die de trein passeert; het vluchtpunt van de wegen die links en rechts zijn aangelegd; de zilveren randen van de wolken waarachter de zon schijnt; de vervaging van de kleuren aan de horizon waar de skyline van een stad als een blauwkartonnen sjabloon is te onderscheiden...
Moet ik doorgaan? Dat kan maar zo. Voor mij is dit constante kijken naar mijn omgeving een tweede natuur, iets dat nooit ophoudt - misschien zoals een componist altijd een melodie of een bepaald klankbeeld in zijn hoofd heeft. Dit betekent overigens niet per sé dat je dan ook figuratieve kunst maakt. Want de visuele fenomenen die je boeien kun je ook in een abstracte context vinden en herscheppen.
Ja, ik ga nog even door. Laatst zat ik in zo'n trein, met tegenover mij twee mensen die blijkbaar op weg waren naar een vergadering, en die, naar hun gesprekken te oordelen, niet erg geloofden in de gunstige uitkomst ervan.
We naderden de stad Leiden, het was zo'n wilde herfstochtend waar alle seizoenen op één dag lijken samen te komen; blauwe luchten, enorme zonbeschenen roze cumuluswolken, hagelbuien, laagstaande zon...
Boven de stad hing op dat moment een diep groene, bijna nachtelijke lucht, als een gordijn van velours, waarin het silhouet van korenmolen 'De Valk', fel beschenen door de zon, in geel en rood zijn wieken priemde.
Aan de andere zijde van de trein, was een enorme toren van bloemkoolwolken omhoog aan het stuwen, niet zichtbaar bewegend, maar met een overweldigende macht oprijzend, als een King-kong die op zijn borst trommelt. Dit beeldhouwwerk werd dramatisch beschenen door de zon, die in verschillende tinten geel en roze de weelderige vormen boetseerde.
Ondertussen (terug aan de andere kant), vormde zich boven de molen nu een prachtig gave regenboog, vrijwel van horizon tot horizon, en vanwege de lage zon verhief die zich zo hoog dat het bijna een halve cirkel was. Door de intens donkere achtergrond had de boog een ongewone lichtende kracht. Een vagere tweede boog tekende zich er als een echo boven af. Ik zat op mijn bank te draaien van opwinding, keek van links naar rechts, wist niet waar mijn aandacht het meest vereist was om deze luchtslag te registreren, bang om ook maar een ogenblik van het drama te missen. Ik wist dat het moment vanwege de snelheid van de trein vlug voorbij zou zijn: we naderden de overkapping van het station.
Mijn medereizigers hadden dit probleem niet. Integendeel: onbewegelijk staarden zijn voor zich uit, weliswaar half naar buiten kijkend, maar zonder de fenomenen in deze typisch Hollandse lucht te zien, te beleven. Ze hoefden hun hoofd maar een paar graden te draaien en ze hadden de gegarandeerd mooiste regenboog van hun leven kunnen bewonderen! Er werden nog twee zinnen gewisseld (het ging nog steeds over de vergadering) maar hun blikken bleven leeg, niets van het drama buiten weerkaatste in hun ogen...
Even stond ik in dubio: zou ik ze er op wijzen? 'Kijk wat een mooie regenboog!'. Zoals een kind zou hebben gedaan. Ze zouden kijken en zeggen 'Oh, ja...' Ik deed het niet. Een zekere schaamte, sociale conventies, het is meestal genoeg om het bij jezelf te houden, en dat deed ik.
Maar later dacht ik: maar dat is toch precies wat je met je werk wilt doen: de mensen wijzen op de schoonheid die hen omringt, die ze gratis en elke dag kunnen genieten als ze maar om zich heen willen kijken? Waarom wees je dan niet? Je wilt toch zo graag dat ze zich open stellen en hun sensaties te intensiveren, te verdiepen? En zo is het ook uiteindelijk - als je de egoïstische motieven even achterwege laat: is dat het doel van je kunst.
Misschien vind ik het makkelijker om dat met een schilderij te doen, dan zo direct in te trein, dat ten eerste. Soms is de omweg het belangrijkste karakteristiek van cultuur. Durf je niets te zeggen, dan schrijf je een gedicht....
En je zou, in je arrogantie, kunnen zeggen: laat mij met mijn werk de mensen maar wijzen waar het te halen valt - zelf zien ze het niet. Daar hebben ze een 'kunstenaar' voor nodig... Als ik ze de gratis regenboog laat zien, kopen ze mijn geschilderde regenboog vast niet meer!
Misschien niet, maar misschien ook juist wel! Want de waardering van beeldende kunst èn de waardering van de visuele werkelijkheid, het genieten van die twee - dat zijn elkaar wederzijds versterkende bewegingen. Als het goed is zijn het broer en zus die samen opgroeien.
Het mooie is namelijk dat mensen beter naar de werkelijkheid gaan kijken, intenser de werkelijk gaan ervaren, wanneer ze zich als kijker intensiever met schilderijen bezighouden.
En andersom: ze zullen meer waardering hebben voor hoe de schilder in zijn werk omgaat met visuele fenomenen als ze die zelf ook actief beleven. En ook ik heb, door de schilderijen te bestuderen van de schilders die ik bewonderde, de weg gevonden naar half genietende, half analyserende manier waarop ik, elk uur van de dag weer mijn omgeving visueel ontdek en beleef. Kunst leert kijken. En kijken leert kunst waarderen.
Dat is, voor mij tenminste, de bron van beeldende kunst, waar je altijd weer terugkeert, hoe vaak de schilderkunst ook (net als de roman in de literatuur) wordt doodverklaard. Figuratieve schilderkunst, dat wil zeggen in gewone spreektaal: dat-je-kan-zien-wat-het-is, zal altijd een referentiepunt en een bereikbare pleisterplaats blijven, vooral ook omdat de kunstenaars die er terugkeren merken en laten zien dat ze steeds opnieuw en op een andere manier die zichtbare werkelijkheid kunnen weergeven en vertalen in een eigentijds of zelfs tijdloos idioom.
Genoeg! Even heb ik me laten meeslepen in wat ik voor het meest belangrijke en meest interessante houdt binnen het vak dat ik heb gekozen. Maar ik heb beweerd dat ik kan relativeren. Dus dat doe ik maar even: het raakt maar aan een deel van de wereld. In die zin is het belang beperkt, er zijn zo veel andere dingen waarvoor mensen in beweging komen, wat ze raakt en boeit. Een schilderij is een stukje hout of doek met wat verf er op. Het komt niet in de krant. Nooit is het op zichzelf van levensbelang, er worden geen oorlogen om gevoerd, en men sterft niet van kijkhonger als men geen kunst ziet. Gelukkig maar.
Toch: wil men tot essenties doordringen, zich ontwikkelen en verdiepen dan moet men zich toch meestal beperken. Binnen elk vakgebied, hoe schijnbaar irrelevant of vergezocht ook, kan men een afspiegeling zien van wat de wereld aan de mens biedt en wat de mens er tegenover zet. Hoe hij zich verhoudt tot zijn omgeving, tot zijn cultuur en tenslotte: tot zichzelf.
Rogier d'Ailly, december 2005 |